Met mijn neus in het tapijt bid ik dat nu het goede antwoord valt; het verlossende woord. Och mocht het komen staan te gebeuren... En snel een beetje. Vanuit mijn ooghoeken zie ik een rij bungelende kinderbeentjes. ‘Ik weet het niet' klinkt een zacht stemmetje. Wanhopig maak ik nog een fladderend gebaar met mijn handen. Tevergeefs. Intussen heeft moeder zich geïnstalleerd in de sofa en pakt nietsvermoedend haar breiwerk op. Uitleg past nu niet, ik moet afmaken waarmee ik begonnen ben. Ik mag geen geluid maken. Snel beweeg ik mijn hoofd een paar keer kort op en neer boven het tapijt en fladder opnieuw. ‘TOK, TOK' prevel ik binnensmonds. Ook moeders benen zie ik nu, de rand van haar lange donkere rok. Twee pantoffels. ‘Een kip!' roept eentje eindelijk. Ja, een kíp! Dat ben ik.
Spelletjes. Kinderspelletjes. Grote-mensen-spelletjes. Voetbal! "En we zullen maar hopen en bidden dat Nederland zo spoedig mogelijk zal verliezen", aldus ds. Kempeneers in aanloop van het wereldkampioenschap. Een grote tentoonstelling van werelds vermaak, dat is voetbal. Niets dan ijdel vertoon. Het WK-voetbal is zonde.
Maar toch, er gloort hoop. Enig optimisme. Niet van de zijde der godzaligen, maar van die der filosofen. Sport is volgens Finkielkraut een belangrijke pijler van ‘het civillisatieproces'. "Sport kanaliseert driften, instincten, impulsen, door middel van regels." Nergens anders worden overtredingen zó rigoureus afgestraft als op het voetbalveld. Beentje haken: gele kaart. Nog een gele kaart: rode kaart. Wegwezen. Op dit gras wordt gehoorzaamheid geleerd, bedachtzaamheid, tact, samenspel. Ook toeschouwers kunnen daar wat van leren.
En de coach leeft intens mee. Staat machteloos langs de zijlijn. Bemoedigt en spoort aan. Haalt het beste uit de spelers. Sleept ze de finale binnen.
Niet altijd worden fouten bestraft, vliegen de gele kaarten in het rond, is het nodig punten te scoren. God besliste ooit dé wedstrijd van het leven, en Jezus behaalde de overwinning: 1-0. Voor nu en altijd.
Eva van Urk


