Homepage
Geloven
In de kerk
In de stad
Home Lezen Column Column De Tour wacht op niemand
PDFPrintE-mail
Column De Tour wacht op niemand
zaterdag, 19 juni 2010 20:45

Nederland kleurt oranje maar Rotterdam kleurt geel. Wie al die voetballers bij het minste of geringste als stervende zwanen ter aarde ziet vallen, hunkert naar sport waarbij echt pijn wordt geleden. Elke topsporter in iedere tak van sport vaart voor een groot deel wel op zijn techniek, maar wie niet kan afzien heeft in de Tour niets te zoeken. Zelfs bij een bijna doodervaring van kramp en vermoeidheid nog steeds door blijven trappen, daar gaat het om. En dat zie ik Sneijder, Van der Wiel of Ribéry echt niet doen. Christian Ronaldo al helemaal niet, die vraagt zich onderaan de Erasmusbrug al af of zijn haar nog wel goed zit. Kuijt misschien, die komt de Tourmalet wel op. Maar die komt uit Katwijk en gelooft in God.
 
Een Tour de France is een mensenleven in drie weken. Een proloog is een soort geboorte. Een verwachting van alles wat komen gaat; spanning, onzekerheid ook. Alle renners zijn ook nog zo'n beetje gelijk, de Erasmusbrug en de Willemsbrug zijn geen scherprechter. Iedereen wordt gespaard.
 
Maar nog voor deze Tour in Frankrijk is, manifesteert zich het echte leven. De eerste valpartijen in de straten van Brussel, de ruzies, de intriges zijn begonnen. Waterdragers die zich in de Ardennen het snot voor de ogen fietsen om een kopman met een lekke band weer een razend peloton in helpen fietsen. Er wordt met energie gesmeten. De eerste leugens en het eerste bedrog komen aan het licht als de plasjes zijn ingeleverd. Hoe menselijk wil je het hebben?
 
En in de bergen begint het echte leven. Een sportcliché is dat renners in een zware bergetappe 'om hun moeder gaan roepen'. Dat is onzin. Veel wielrenners zijn op zoek naar hulp van boven. Religie en wielrennen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Voetballers slaan ook wel eens een kruisje. Waarom, denk ik dan? Die Jabulani zwabbert zo erg, die bal laat zich echt door niemand sturen. Maar wie op de flanken van de Soulor voor zijn leven vecht, kan wel wat steun van de Almachtige of van de moeder Gods gebruiken. Vooral Italiaanse en Spaanse cyclisten hebben dit haarfijn in de gaten.
 
Protestantse Nederlanders zijn hier te nuchter voor. Ze kiezen toch zelf voor dit beroep? Fijn, zo'n opmerking. Weg heroïek. Dat zijn dezelfde mensen die over hoeveelheden calorieën beginnen op het moment dat je een lekker gebakje naar binnen wilt werken. Azijnpissers. Laat die maar lekker voetbal kijken.
 
In 1998 komt de Italiaan Fabio Casartelli in de afdaling van de Portet d'Aspet om het leven. Vanzelfsprekend fietst het peloton dat jaar gewoon door richting Parijs. Misschien wel de duidelijkste metafoor met het echte leven: de Tour wacht op niemand. De volgende dag hield iedereen wel de benen even stil en reden zijn teamgenoten met een zwarte band om. De rouw werd in de wielerkerk gebracht. In de Notre Dames des Cyclistes werd een mis opgedragen. De moeder van Casartelli - een diepgelovige vrouw - heeft het er nog over als de ploegmaten van toen het graf van Casartelli weer eens komen bezoeken. En ze dankt God dat er wielrenners zijn.  
 
Vive le vélo, vive le Tour et vive Rotterdam! 
Ik kan niet wachten...
 
Walter Monster