Wat was de wereld groot en wat was ik, zesjarige koter met een zwak
voor plattegronden en landkaarten, nieuwsgierig om die te ontdekken.
Gelukkig was de oppervlakte van het bekende deel gering en lag het
onbekende deel om de hoek. Ik hoefde er slechts het bruggetje tegenover
ons huis voor over te steken en tussen de huizen te verdwijnen. Dan was
ik er, in het onbekende dat ik van ons huis uit niet kon zien.
Eigenlijk mocht ik er niet komen zodat ik des te meer zin kreeg erheen
te gaan. Tegelijk ervoer ik het als eng. Daarom waagde ik me niet al te
ver in het onbekende maar schoof ik de grens van het bekende steeds een
stukje verder op. Huizenblok voor huizenblok. Tot ik op een grauwe dag
in de winter aan het begin van een lange straat stond waar ik me nooit
eerder op begeven had. Ik aarzelde. Het onbekende trok maar ik moest
voorzichtig zijn. Als ik te lang van huis bleef, ging m'n moeder vragen
waar ik was geweest en dat wilde ik niet vertellen. Ik aarzelde... en
ging, één blokje. Toen maakte ik rechtsomkeert en fietste vergenoegd
naar huis terug.
Arjan de Kwaadsteniet


