Sinds een week ben ik ingeschreven in het ‘bel me niet register'. Dat voorkomt dat allerlei types mij op onzalige momenten bellen in een poging me een levensverzekering of een krantenabonnement aan te smeren. Of het werkt, weet ik nog niet, maar de wetenschap dat er ergens een rood lampje gaat branden als mijn nummer wordt ingetoetst, dat geeft me al voldoening. Miljoenen Nederlanders zijn me voorgegaan en ik vraag me af of er genoeg huishoudens zijn overgebleven die nog daadwerkelijk bestookt kunnen worden met deze hinderlijke vorm van terreur.
Fijn, zo'n register, maar er blijven nog genoeg ergernissen over waarvoor ik graag in een register zou willen staan. Overijverige studenten die me op de Lijnbaan of bij de Koopgoot van alles proberen aan te smeren. Alsof ik nog overtuigd moet worden om m'n geld juist niet aan Greenpeace of Milieudefensie te geven. Dat weet ik allang, maar hinderlijk zijn ze wel, deze mensen. Eigenlijk is juist de hinder die ik van deze acties ervaar mijn grootste ergernis. Dus niet het feit dat ik wellicht verleid zou worden om geld te geven aan een club waar ik later spijt van krijg, nee, mijn ergernis zit in het feit dat iemand mij stoort op een moment dat ik dat niet op prijs stel. Ik word gehinderd! En waarom?
Schrijver en dichter Willem-Jan Otten stelt deze vraag ook aan God in een boek dat gaat over zijn persoonlijke helden. ‘Waarom komt U ons hinderen?' is de veelzeggende titel. En zo kan je ook God en de mensen van God ervaren: als zeer hinderlijk. Een dominee die in een preek appelleert of ik wel genoeg tijd besteed in dienst van het Koninkrijk. Een kringgenoot die vraagt voor hem te bidden. Een oproepje op de Zondagsbrief om voor Alpha te koken. Een persoonlijk woord van iemand of een bijbeltekst die je raakt en iets van je verlangt. Een doopbelofte die je ooit hebt gedaan. Allemaal bij tijd en wijle zeer hinderlijk.
Bestond er ook maar zoiets als een geestelijk ‘bel me niet register'. Dat zou best fijn zijn. Ik kan dan zonder gêne consumeren uit het geestelijke aanbod dat ik dagelijks op me af laat komen. Maar zodra het hinderlijk dreigt te worden omdat het iets van mij vergt, gaat er ergens een rood lampje branden. In de hemel of in de studeerkamer van de dominee, dat maakt niet uit. Zolang de boodschap mij maar niet hindert.
Nu wil ik net gaan betogen dat God juist wel van ons iets mag vragen... maar... terwijl ik dit schrijf, gaat er bij mij een rood lampje fel knipperen; geen moralistisch appèl aan het slot van deze column. Ben je gek zeg, ik ga de lezer niet hinderen. Ik zou niet durven.
Walter Monster


