Homepage
Geloven
In de kerk
In de stad
Home Lezen Column Toch!
PDFPrintE-mail
Column Toch!

Eigenlijk voel ik me niet zo lekker,bedacht ik afgelopen vrijdag. Ik moest die middag mijn wekelijkse godsdienstles geven op een openbare basisschool in Rotterdam. Ik heb een bijholte ontsteking die me pijn en ongemak bezorgt, zoals dichtzittende oren. Bovendien zullen er enkele kinderen deze les niet bijwonen, vanwege het afscheidsfeestje van hun leerkracht. Toch ga ik maar op weg, ik heb echt niet genoeg redenen om me af  te melden.  Mijn toch al niet grote groepje blijkt zelfs gehalveerd te worden, bij een andere klas draait er een film, kom daar maar eens aan, met je godsdienstles. Kan ik het maar niet beter afblazen voor deze middag? Ik vraag het me af. Ik vraag de overgebleven kinderen wat zij willen. Ik bedenk me al mijn taken die ik nog wil en moet doen die vrijdag. Ik overleg daarom even met de conciërge. Zijn advies is duidelijk. “Als je nu maar een leerling had, dan kun je het beter afblazen, maar als het er meer zijn, dan is het toch de moeite waard”. Natuurlijk heeft hij gelijk. Ineens schaam ik me voor mijn gebrek aan inzet en doorzettingsvermogen. Zelfs al is het clubje nog zo klein, dan is het waardevol. Het Evangelie van Jezus is daarover duidelijk. Waar twee of drie samenzijn… is een vaak geciteerde uitspraak van Jezus. Om maar niet te spreken van de vreugde van de engelen als één zondaar zich bekeert.

Het wordt een goede en gezellige les. Vooral het jongste meisje geeft wijze antwoorden op mijn vragen over het thema van dit lesuur. We hebben het over het grootste gebod, God liefhebben boven alles en je naaste als jezelf. Het is niet makkelijk om dit gegeven uit te leggen. Als ik vraag waarom we God lief mogen hebben, dan antwoordt juist het jongste kind van de groep, een meisje: “omdat God waanzinnig veel van ons houdt”. Wat kan een jong kind toch al veel begrijpen.

Na afloop ga ik nog even naar de drogist om de hoek. Als ik terugloop naar mijn auto is de school net uitgegaan, het meisje wat ik net in de les nog zag, huppelt me met haar moeder tegemoet. “Mama, dat is de godsdienstjuf!” roept ze enthousiast. Haar moeder geeft me een hand en stelt zich aan mij voor. “Ze vindt godsdienst zo leuk”, vertelt ze over haar dochter. “We zijn dan wel niet gelovig, maar ze mag van mijn de godsdienstles bijwonen, ik dacht waarom ook niet!”

Stel je voor, bedenk ik me, dat ik juist déze middag niet had doorgezet, ondanks alle tegenslagen…

Ester van Dijk