Het is 19.45 uur. Voor ons huis knalt een duizendknaller. Ja, je woont in Tussendijken, dus dat hoor je. Eindelijk mag alle vreugde en al de scores eruit via zo'n knalblazer die lijkt te zeggen ik ben, ik leef en besta. Zie me, hoor, alsof het niet gewoon bedtijd is voor de kinderen...
Ik kan er niets aan doen, maar ik begrijp dit soort knalverlangens niet. Uiteraard herken ik wel verlangens om gehoord en gezien te voelen, maar om via zo'n knappersscenario te merken dat ik leef. Nee. Misschien had ik mijn buurman moet vragen wat de achterliggende gedachte was van deze geluiden en had hij me uitgelegd en verteld dat hij zo blij is dat hij leeft, niet verloren gaat in crisis en weer een jaar vol hoogtepunten en dieptepunten inluidt.
Ik had contact kunnen leggen, maar heb het niet gedaan. Ik bracht de kinderen naar bed en legde sussend uit dat morgen alles anders zou zijn. Geen geknal, maar gewoon veel oliebollen en troep op straat. Ze keken me aan, rukten zich los en drongen zich voor het raam om te kijken hoe zoveel lawaai tot stand kwam. Jongens, dacht ik. Daar zal het wel mee te maken hebben...
Maar toen ik ze om 23.45 wakker maakte, bleek toch ook dat zij liever achter de ramen naar het geschitter en geknal keken dan op straat Mijn vraag blijft wat we willen zeggen met dat geknal: dat we leven, dat we bang zijn en alles wegblazen wat ons angst in jaagt?
Gelukkig heb ik nog geen vuurwerk hoeven kopen.Sterretjes vasthouden en daarmee licht in het duister brengen was meer voor mijn superhelden weggelegd. Misschien spreken de sterretjes vasthouden toch meer tot hun verbeelding, domineeskinderen als ze zijn. Ze horen immers over engelen en sterren die de weg wijzen. Ze weten dat de hemel opengaat en dat daar dan licht en vrede uit neer daalt. Sterretjes vasthouden. Dat was het begin van mijn nieuwe jaar. Licht zwaaiend in het duister, terwijl ik zag dat ze langzaam doofden, terwijl een nieuwe ster al weer ontstoken werd. Geef mij maar sterretjes. Liever licht dan geknal. Ik wil ook voelen dat ik leef, samen in Tussendijken met mijn buren. We gaven elkaar de hand, zwaaiden met de sterren. 2012 is begonnnen. Ik hoop op veel licht en sterren voor ons allen.
Regine Folbert
Ik kan er niets aan doen, maar ik begrijp dit soort knalverlangens niet. Uiteraard herken ik wel verlangens om gehoord en gezien te voelen, maar om via zo'n knappersscenario te merken dat ik leef. Nee. Misschien had ik mijn buurman moet vragen wat de achterliggende gedachte was van deze geluiden en had hij me uitgelegd en verteld dat hij zo blij is dat hij leeft, niet verloren gaat in crisis en weer een jaar vol hoogtepunten en dieptepunten inluidt.
Ik had contact kunnen leggen, maar heb het niet gedaan. Ik bracht de kinderen naar bed en legde sussend uit dat morgen alles anders zou zijn. Geen geknal, maar gewoon veel oliebollen en troep op straat. Ze keken me aan, rukten zich los en drongen zich voor het raam om te kijken hoe zoveel lawaai tot stand kwam. Jongens, dacht ik. Daar zal het wel mee te maken hebben...
Maar toen ik ze om 23.45 wakker maakte, bleek toch ook dat zij liever achter de ramen naar het geschitter en geknal keken dan op straat Mijn vraag blijft wat we willen zeggen met dat geknal: dat we leven, dat we bang zijn en alles wegblazen wat ons angst in jaagt?
Gelukkig heb ik nog geen vuurwerk hoeven kopen.Sterretjes vasthouden en daarmee licht in het duister brengen was meer voor mijn superhelden weggelegd. Misschien spreken de sterretjes vasthouden toch meer tot hun verbeelding, domineeskinderen als ze zijn. Ze horen immers over engelen en sterren die de weg wijzen. Ze weten dat de hemel opengaat en dat daar dan licht en vrede uit neer daalt. Sterretjes vasthouden. Dat was het begin van mijn nieuwe jaar. Licht zwaaiend in het duister, terwijl ik zag dat ze langzaam doofden, terwijl een nieuwe ster al weer ontstoken werd. Geef mij maar sterretjes. Liever licht dan geknal. Ik wil ook voelen dat ik leef, samen in Tussendijken met mijn buren. We gaven elkaar de hand, zwaaiden met de sterren. 2012 is begonnnen. Ik hoop op veel licht en sterren voor ons allen.
Regine Folbert


