Homepage
Geloven
In de kerk
In de stad
PDFPrintE-mail
Stadspelgrims (deel 9)

Pastoraat  tussen de wielen

Midden in een vergadering waar ik me een beetje zat te vervelen, ging mijn mobiel af. Vergeten uit te zetten. Ik liep snel naar buiten. Een stem zei: `Wil je niet eens even langskomen? Ik voel me zo beroerd en ik wil niet naar het ziekenhuis.’ Ik zeg: `Ben je thuis? Het lukt straks mogelijk wel even.’  Ik had de man, ik noem hem maar even Rinus, al een tijd niet meer gezien. Wel door de telefoon gesproken. Hij was van de drank af, had hij toen gezegd. Roken deed hij ook niet meer. Overigens pas na een paar flinke hartinfarcten. Nu dreigde er weer zoiets. Maar hij wilde niet meer naar het ziekenhuis.

Ik had hem leren kennen via zijn oude moeder bij wie hij in huis zat en voor wie hij zorgde. Zij belde me een keer misschien wel vijftien jaar terug.
`Dominee, is er ook een kerkauto om ouwe mensen op te halen?’
`Natuurlijk mevrouw. Ken ik u misschien?’
`Nee, u kent mij niet. Maar ik was bij mijn zoon op de Veluwe op vakantie en ook in de kerk. En toen dacht ik: daar kan ik in Rotterdam best mee doorgaan. Zou die auto ook mij kunnen ophalen? Zondagmiddag?’
`Natuurlijk. Wat is uw adres? In orde. Zondagmiddag komt iemand u halen.’
Zo was het begonnen. Ik had er weinig verwachting van.  Er bellen zoveel mensen met dit soort vragen. Ik ben altijd vriendelijk. Maar niet gek. Echter: zondagmiddag was zij in de kerk.  Een oude mevrouw met witgrijs haar in een al wat oude maar keurige blauwe mantel. Zij bleef komen elke zondagmiddag. Ik was juist bezig met een serie over Genesis 1: de 7 scheppingsdagen. Bepaald geen Johan de Heer preekjes. Zeg maar liever erg stevig. Ik kon me niet voorstellen dat die mevrouw het bij dat soort preken zou volhouden. Maar  zij hield vol. Week in week uit, tot alle scheppingsdagen waren gepasseerd. Ze was niet weg te branden. Er ontstond een contact. Zij vertelde haar verhaal. Bij stukjes en beetjes. Zij had een zwaar leven gehad, zoals men vroeger zei als er in iemands leven zich veel drama had afgespeeld. Dat kon je van haar wel zeggen. Als kind groeide ze op in een weeshuis in Middelharnis. Daar voelde ze als jong meisje zich vaak niet veilig. Zij trouwde in Rotterdam en werd moeder van een groot gezin. Uit mijn hoofd tel ik 6 jongens en 3 meiden. Van kerk, God of geloof kwam niets meer terecht. Ze stond er ook meestal alleen voor. Maar later – haar man was al jaren overleden –  hoorde ze op de Veluwe een dominee preken over het kruis van Christus. En bloed dat zuivert. En vooral die handen van Christus aan het kruis hadden haar diep geraakt. `Dominee, is er een auto om ouwe mensen op te halen?’
 
Thuis voelde zij zich geremd om te praten. Omdat Rinus, als hij niet aan het vissen was, vrijwel constant aan tafel zat te drinken. Het liefst stapte ze in mijn auto en dan reden we een rondje. Pastoraat tussen de wielen zou je dat kunnen noemen.  Soms stopte ik eens even om oplettend te luisteren en te bidden. Zij ging ook op zondagmorgen komen. En – na een uitvoerige biecht: `ik heb alles fout gedaan, zou God mij straffen? ‘ – kwam ze ook naar de Tafel van Christus. Altijd in die oude blauwe mantel.
De drama’s hielden niet op. Een zoon van half de vijftig, leadzanger in een Lee Towersachtige band, overleed aan kanker. Bij de crematie zong een van de bandleden het volgens hem `zeer passende lied `Come clother to me’. Nog een zoon stierf door kanker.  Tegenover haar woonde haar oudste zoon Wim. Overdag was ze meestal bij hem. `Hij is goeie jongen’, zei ze. En dat was ook zo, al kwam hij net als Rinus regelmatig rauw Rotterdams uit de hoek. Zijn vrouw was op oudejaarsdag ineens dood. Niet zo heel veel later bleef het gordijn `s morgens dicht aan de overkant.  Rinus ging eens kijken. Hij vond zijn broer dood in bed.  Die klap kwam bij haar heel hard aan. Ze was niet te troosten. `Heeft bidden wel zin? Ik bid nog steeds voor Wim. Dat God hem aanneemt. Hij had toch respect. Wim spotte nooit.’  Wat moet je zeggen? Soms is bidden alleen maar schuilen bij God. Met je verdriet, je tranen, je heimwee, je wanhoop.
Ze werd vergeetachtig.
Woensdags begon ze al te bellen: ` Mag ik vragen,  preekt u zondag ` s morgens of `s middags? Komt u nog langs deze week?’ Mijn vrouw luisterde dan steeds geduldig en zei: `hij is er alleen om vijf uur.’  Ook als zij die woensdagavond nog minstens twee keer belde met dezelfde vraag. Of naar Marijke, een jonge ouderlinge die oa over de kerkauto ging.  `Das een lief meissie!’ zei ze vaak.  Haar bellen en vragen hadden iets ontroerends.  Ineens was ze ziek. Toen ze was overleden schreef ik in de kerkbode: `Zij heeft veel gebeden voor haar kinderen, maar voor haar gevoel weinig verhoring gezien. Maar misschien komt dat nog.’

Rinus stond er nu alleen voor. Vanwege zijn ontstellende grote mond zag hij er niet veel meer van zijn familie die zich na de dood van moeder ook niet meer verplicht voelde. Maar nu ging hij bellen.Soms moest de voedselbank even helpen, dan was er weer wat anders met hem. Lange tijd hadden we geen enkel contact meer. Tot voor kort.
`Ik ga niet meer naar het ziekenhuis. Ik hoef niet meer wakker te worden.’ Maar ook: `Ik heb gebeden tot God. `God, als U er bent…en een gevoel van grote warmte vervulde me. Zou dat nu God zijn? ‘

De deur stond al open.  Aan de tafel zat hij te roken en bier te drinken. Hij zag er mager uit.  `Dat schiet niet echt op,’ zei ik . `Jij voelt je beroerd? Lijkt me helder.’  `Ga zitten. Voor mij is er geen hoop meer. Dus neem ik nu maar mijn pilsie’.  Hij haalde de map van de Monuta erbij. Hier staat alles in, zei hij. `Ik houd niet van cremeren. Lijkt me niks. Mag ik je 06-nummer hier erbij zetten?’
Ik knikte. `Doe maar, maar toch niet deze week, mag ik hopen?’ Ik mocht niet weg gaan zonder eerst uitvoerig te bidden. Ik dacht aan zijn moeder en haar bidden. Ze gebruikte meestal een verkleinnaam als ze het over hem had.  `Ik ben erg blij dat je er was’, zei hij toen hij me uitliet.

 

Actueel

Banner
Banner
Banner

Inschrijven zondagsbrief